De geschiedenis van het schaken deel 7 |
| De vorige keer, al weer een paar maanden geleden, berichtte ik u over de overrompelende manier waarop Paul Morphy in amper een half jaar de schaakwereld veroverde. Dit was in wezen het begin van een nieuwe periode in de geschiedenis van het schaken. De overgang van de oude opvattingen (gebaseerd op veel tactiek) naar de nieuwe (taktiek op positionele basis) is een reusachtige stap geweest. Zijn tijdgenoten begrepen er niets van. Het is Wilhelm Steinitz geweest die wat licht in hun duisternis kon brengen. Met het noemen van zijn naam, sluiten we het oude tactische tijdperk af, en starten we het nieuwe, op tactiek gebaseerd positionele tijdperk. Steinitz was het kind van de klassieke stijl en tevens de vader van het moderne positiespel. |
| Steinitz en Morphy waren tijdgenoten en hun levensloop bevat een paar eigenaardige overeenkomsten. Steinitz was slechts een jaar ouder dan de Amerikaan. Beiden zijn door het schaken wereldberoemd geworden, en ook beiden zijn op een vergelijkbare manier overleden. Hoe dat bij de Amerikaan ging, heb ik de vorige keer al beschreven. Steinitz eindigde in een gesticht (tegenwoordig wordt dat een inrichting genoemd) voor zwakzinnigen. Er zijn ook enige duidelijke verschillen aan te merken tussen deze twee. Morphy was een genie en beschikte over ruime geldmiddelen, terwijl Steinitz het moest hebben van zijn enorme werklust en energie. Het schaken zelf moest hem middelen voor zijn levensonderhoud verschaffen. Hij was dan ook beroepsspeler. Hij bestudeerde het spel van zijn tijdgenoten, de grote combinatiespelers Anderssen, Zukertort en vele anderen van de zogenoemde “romantische school”. Hij kwam op grond van zijn bevindingen tot een aantal regels over het positiespel, die in een latere periode zijn uitgewerkt door bijvoorbeeld Lasker, Tarrasch en Euwe. Dat hij het als beroepsspeler niet altijd even gemakkelijk had, bewijzen de volgende twee anekdotes: |
| Iedere morgen speelde Steinitz tegen een oude rentenier een partij, en telkens weer won hij zonder zich overmatig in te spannen. Dat ging zo een hele tijd door, totdat een vriend hem de raad gaf om zijn tegenstander ook eens te laten winnen. De man zou immers ontmoedigd worden en dat kon steinitz een vaste bron van inkomsten kosten. Zo gezegd, zo gedaan, maar het bleek niet zo makkelijk om de oude man te laten winnen. Telkens als Steinitz een stuk liet instaan, durfde zijn tegenstander dat niet te nemen. Slechts met de grootst mogelijke moeite slaagde de wereldkampioen erin om zoveel materiaal te verliezen dat hij zonder argwaan te wekken kon opgeven. Hij legde zijn koning om en feliciteerde zijn partner met de overwinning. Deze keek hem ongelovig aan en vroeg met trillende stem of Steinitz werkelijk opgaf, stond daarna op en vloog zonder jas en hoed naar buiten, onderwijl roepend:”Mijn levenswens is volbracht, ik heb de wereldkampioen verslagen”. Hij heeft zich nooit meer terug laten zien….. |
| Bij een andere gelegenheid speelde Steinitz tegen de bankier Epstein, de beurskoning uit Wenen. Over een zet in het middenspel dacht Steinitz vrij lang na, waarop een ongeduldig: “Welnu?”liet horen. De krachtzet die Steinitz daarop speelde bracht de bankier in grote verlegenheid, en hij verzonk op zijn beurt in gepeins. Na een tijdje zei Steinitz op zijn beurt: “Welnu?” Dat viel niet in goede aarde en de bankier werd boos. “Pardon”, beet Steinitz de man toe, “aan de beurs bent u de baas, maar hier ben ik Epstein!” |
| Om als sterkste schaker ter wereld erkend te worden moest Steinitz eerst afrekenen met Adolf Anderssen. Dat gebeurde in een tweekamp in Londen 1866. Ik laat hieronder de 13de partij uit deze partij volgen. |
| Partij Adolf Anderssen – Wilhelm Steinitz |
| In de jaren die volgden op het plotselinge verschijnen en vedwijnen van de Amerikaan Paul Morphy, traden Steinitz en Anderssen het meest op de voorgrond. Anderssen verloor weliswaar de match die zij in 1866 speelden, maar dat belette hem niet om in verschillende toernooien en matches indrukwekkende resultaten te behalen. Daar bleek wel uit dat de beide rivalen in speelkracht weinig voor elkaar onderdeed. In het voetspoor van deze, onbetwist sterkste schakers van hun tijd, verdongen zich een aantal uiterst begaafde schakers. Twee van hen wil ik hier voor het voetlicht halen, namelijk Ignatius von Kolisch en Louis Paulsen. |
| Von Kolisch was een geniale schaker, wiens belangrijkste drijfveer om te schaken was, dat hij zijn fantasie hierbij volledig de vrije loop kon laten gaan. Hij werd geboren in 1837. Omstreeks het jaar 1860 had het schaken hem dusdanig te pakken dat hij beroepsspeler werd. De schitterende resultaten die hij in korte tijd wist te behalen, verblinden hem echter niet. Hij had inmiddels ontdekt dat hij op nog een ander gebied zijn gedurfde transacties kon uitvoeren, namelijk op de beurs. In een vijftal jaren (van 1864 tot 1869) verdiende hij een vermogen met de commissiehandel, waarna hij zich in Wenen vestigde om daar in beurskringen een belangrijke rol te spelen. Als schaker trok hij zich meer en meer terug, maar als organisator van grote toernooien heeft hij nog lang van zich doen spreken. Louis Paulsen werd in 1833 in Duitsland geboren, maar emigreerde in 1854 samen met zijn broer Ernst naar Amerika. Daar ontmoette hij Paul Morphy, die hem in een tweekamp overtuigende met 6-2 versloeg. Paulsen wierp zich vervolgens met grote energie op de theorie, en vanaf die tijd werd hij bekend als openingsexpert. Toch ondervond hij om zijn denkbeelden veel tegenstand. Zelfs jaren na zijn dood werden zijn ideeen niet begrepen en daarom belachelijk gemaakt. Pas in de jaren na de tweede wereldoorlog kwam men tot de ontdekking dat de (voor die tijd) nieuwste vindingen als: 1 c4 c5; 2 Pf3 Pc6; 3 d4 cxd4; 4 Pxd4 Pf6; 5 Pc3 d6; 6 Le2 e5!, en ook 1 e4 e6; 2 d4 d5; 3 e5 c5; 4 c3 Pc6; 5 Pf3 Db6; 6 a3! van hem afkomstig zijn. |
| Ook een opening als het Konings-Indisch speelde hij geregeld en, last but not least, er is een variant in het Siciliaans naar hem vernoemd. Die heeft als kenmerk dat zwart eerst de damevleugel ontwikkeld en pas daarna de koningsvleugel. Dit alles heeft tot gevolg dat de levensloop van Louis Paulsen pas na de tweede wereldoorlog de aandacht heeft getrokken. Uit zijn resultaten uit de jaren 1861 – 1877 blijkt dat hij een van de grootste van zijn tijd is geweest. Hij versloeg in die jaren onder andere Anderssen in een tweekamp, en won ook diverse grote toernooien. Ik laat hier zijn enige winstpartij op Paul Morphy volgen. |
| Partij Louis Paulsen – Paul Morphy |
| Ik wens u veel lees- en naspeelplezier toe. De volgende keer ga ik verder met nog enkele tijdgenoten van de reeds genoemde schakers, waaronde Zukertort. |
| Gerrit van Oostrum |