De geschiedenis van het  schaken (deel 3)

In het tweede deel was ik geëindigd met de Italiaanse schaker Gioachino Greco.
Er liggen ongeveer 150 jaar tussen de dood van Greco en het optreden van de Fransman Philidor.
Anderhalve eeuw van stilstand, want alles wat Greco had geschreven was in deze tijd wet, en nieuwe denkbeelden kwamen niet of nauwelijks naar boven.
In die periode, zo rond 1700, schijnt de beroemde filosoof Gottfried Wilhelm Leibniz (overigens was hij ook wis- en natuurkundige, historicus en jurist), de beroemde woorden: "Een van de beste bewijzen van de scheppende krachten der mensen is het ontwikkelen van spelen, vóór alles het schaakspel" te hebben gesproken.
Verder heeft deze tijd nog een "raadsel" gebracht, dat tot op de dag van vandaag onopgelost is gebleven, namelijk dat van de drie Cunninghams.

Voor zover bekend zijn de feiten als volgt:
Alexander Cunningham, geboren in Schotland, zoon van een predikant, vestigde zich in 1709 in Den Haag.
Hij studeerde rechten in Leiden, en stond bekend als een sterke schaker.Hij stierf in 1730.
Een tweede Alexander Cunningham, ook in Schotland geboren, ook zoon van een predikant, eveneens rechtsgeleerde en schrijver van het boek "History of Great Britain" (1687), leefde nog in 1735, en wel in Londen. Om de verwarring compleet te maken, heeft ook deze Cunningham zich in Nederland gevestigd en ook hij speelde verdienstelijk schaak.
Tenslotte schijnt er nog een derde Alexander Cunningham geweest te zijn, die stierf op 15 mei 1737.
De vraag dient zich aan of deze drie Cunninghams niet één en dezelfde persoon zijn.
In elk geval leeft de naam Cunningham voort in een variant van het koningsgambiet, en wel de Cunningham-verdediging.
Er zijn mij overigens geen partijen van Cunningham bekend, enkel analyses met de genoemde variant

Dan nu de overstap naar een zeer markante persoonlijkheid in de schaak-geschiedenis, n.l François André Danican Philidor.
Hij werd in 1726 te Dreux, in de omgeving van Parijs geboren. Waarom markant?
Welnu, hij werd opgeleid als musicus, maar zag zich genoodzaakt om in zijn onderhoud te voorzien met schaken en dammen, waarin hij ook uitblonk.
Hij was een veelgeziene gast in koffiehuizen, ook hier te lande, met name in Amsterdam en Rotterdam. In 1745 stak hij de Noordzee over om de toenmalig sterkste speler, althans tot die tijd, Stamma te bekampen.
Philidor won in een match overtuigend, waarna hij terugkeerde naar Nederland.
Daar schreef hij een boek over schaken getiteld: "L'analyse du jeu des echecs", dat in 1749 verscheen.
Het boek werd in vele talen vertaald en is gedurende minimaal een eeuw van groter invloed geweest op alles wat schaak speelde.
Tot die tijd werd de activiteit van de stukken het belangrijkst gevonden.
Philidor echter, stelde zich op het standpunt dat de pionnen het belangrijkst waren. "De pionnen zijn de ziel van het schaakspel", is een veel geciteerde uitspraak van hem.
In zijn boek werd de Philidor-verdediging warm aanbevolen (1 e4 e5 2 Pf3 d6).
Het is wel merkwaardig dat er geen enkele partij bekend is waarin Philidor zijn eigen verdediging speelde.
De meeste partijen die van hem bewaard zijn gebleven, waren blind gespeelde partijen.
Bovendien gaf hij, zelfs de sterkste spelers van zijn tijd, dikwijls een pion voor.
Ik laat hieronder een partij volgen die hij in 1794 in Londen heeft gespeeld.
Deze partij is uit een blindseance tegen drie spelers tegelijk.
Philidor was toen al 68 jaar oud!!

Wit : G. Atwood
Zwart : F.A.D. Philidor

1 e4 c5 2 f4 e6
3 Pf3 Pc6 4 c3 d5
5 e5 f5 6 d4 Ph6
7 a3 Pf7 8 Le3 Db6
9 Dd2 Ld7 10 Df2 c4
Men ziet dat Philidor er op uit is een pionnenfalanx te vormen.
De witspeler breekt de stelling echter open.
11 Lxc4 dxc4 12 d5 Dc7
13 dxc6 Lxc6 14 Lxa7 Lxf3
15 gxf3 g5!  
Slaat de witte pionnenmassa in het centrum uit elkaar.
16 Le3 gxf4 17 Lxf4 Pxe5
18 Lxe5 Dxe5+ 19 De2 Dxe2+
20 Kxe2 h5 21 Pd2 Tc8
22 Tg1 Kf7 23 Tg2 Le7
24 Tag1 Lf6 25 Pf1
Beter was 25 f4, in combinatie met 26 Pf3
25 … e5 26 Pe3 Ke6
27 Td1 Tg8!  
   
 
Philidor heeft in overeenstemming met zijn principes de pionnen zo lang mogelijk in een gesloten front laten oprukken.
Nu is de tijd gekomen om de vruchten van het voorafgaande spel te plukken.
28 Txg8 Txg8 29 Pxc4 Tg2+
30 Kd3 Txh2 31 Td2 Th3
32 Ke2 b5 33 Pe3
Natuurlijk niet 33 Pd6, want dan volgt Th2+, en na de toren te hebben geruild wint zwart het paard op d6.
Het eindspel dat na de nu volgende afwikkeling ontstaat, is voor onze begrippen elementair, maar toentertijd was dat nog niet zo.
Bovendien was het een blindpartij!
33 … Th2+ 34 Ke1 Txd2
35 Kxd2 Lg5! 36 Ke2 Lxe3
37 Kxe3 h4 38 Kf2 e4!
39 Kg2 e3!  
En wit gaf op.  
De pionnen hebben de partij beslist.
   

Het is een feit dat de meeste grote figuren uit de 18de eeuw schaak speelden, of althans getracht hebben dat te doen.
Onder hen behoorde ook de Franse koning Lodewijk de zestiende.
Hij kreeg les van Philidor en toonde zich een enthousiast, maar niet bijzonder begaafd leerling. Philidor kreeg van de koning een klein jaargeld, maar een onverdeeld genoegen was dat niet.
Want toen tegen het einde van de 18de eeuw de koning gevangen werd genomen, en later eindigde onder de guillotine, werd Philidor, evenals zovele van zijn landgeno-ten verdacht van royalistische neigingen.
Angst voor Robespiere (die overigens ook een behoorlijk potje kon schaken), deed Philidor uitwijken naar Londen.
Daar is hij in het jaar 1795 gestorven.

Volgende keer ga ik verder met Napoleon als schaker, en komen er nog wat andere Fransen zoals Deschapelles en Labourdonnais aan de orde.

   
 
GvO